Het einde van de ontwikkelingssamenwerking? (Mestrum 2005)Commentaar op artikel van F. Mestrum door Nieke Nouwen
Link: http://www.yabasta.be/Het-einde-van-de
Francine Mestrum, professor in de sociale wetenschappen, gespecialiseerd in ontwikkelingsproblematiek en vooral armoede, ontwikkeling en internationale organisaties, neemt in dit opiniestuk geen blad voor de mond. Ze stelt zich onverbloemd de vraag of het einde van de internationale ontwikkelingssamenwerking is genaderd? Tot deze bedenking komt ze omdat ten eerste de millenniumdoelstellingen (MDG’s), het meeste ambitieuze internationale armoedebestrijdingproject ooit, niet gehaald zullen worden tegen 2015. Ten tweede steekt Mestrum haar bezwaren omtrent het huidige ontwikkelingsbeleid (als we dit zo al mogen noemen?) van donoren en internationale instellingen niet onder stoelen of banken. Kort gezegd betreurt ze de uitsluitende focus van Internationale instellingen op economische groei en verdedigt ze een politiek-maatschappelijke benadering van armoede die de structurele oorzaken van armoede ernstig onder de loep neemt.Om het falen van de internationale ontwikkelingssamenwerking te verklaren, geeft ze de lezer een beknopte versie van de geschiedenis van de mondiale armoedebestrijding mee. Er wordt beschreven hoe de Wereldbank in het begin van de jaren ’90 het thema van armoedebestrijding op de internationale politieke agenda plaatste. De strategie van de Wereldbank was sterk neoliberaal getint en zag wereldwijde armoede vooral als een resultaat van een gebrekkig functioneren van de markt. Met andere woorden werd de oorzaak van armoede toegeschreven aan de beperkte toegang van armen tot deze markt. Het was ook in deze periode, dat duidelijk werd dat armoedebestrijding geen kwestie van sociaal beleid was voor de Wereldbank. De structurele oorzaken van armoede kwamen niet aan bod en in de plaats hiervan kwam er een exclusieve focus op economische groei. Universele sociale ontwikkeling verdween naar de achtergrond en iedereen had de mond vol van doelgerichte armoedebestrijding. Solidariteit, sociale gelijkheid en inkomensverdelingen speelden binnen de Wereldbankstrategie van de jaren ’90 geen noemenswaardige rol. Deze armoedebestrijding past volkomen binnen de filosofie van het neoliberale denken, als zodanig dat de markt op die manier min of meer gestabiliseerd werd, waardoor de neoliberale mondialiseringgolf vlotter kon verlopen. In 1995 was er wat hoop in zicht. De agenda van de VN-top in Kopenhagen bevatte meerdere solidariteitgerelateerde elementen: armoedebestrijding, werkgelegenheid en sociale integratie. Maar jammer genoeg bleken praktijk en theorie niet verzoenbaar en werden deze drie kernpunten gekoppeld aan begrotingsevenwichten en internationale handel. In 1999 sprong ook het IMF op de internationale armoedebestrijdingstrein en werd de ‘Faciliteit voor Structurele Aanpassingen’ wordt een ‘Faciliteit voor Groei en Armoedebestrijding’. Uit dit laatste blijkt duidelijk dat ook het beleid van het IMF gericht was op wereldwijde groei en armoedebestrijding. De PRSP’s die rond deze tijd het daglicht zagen, waren geenszins een poging tot fundamentele structurele beleidsveranderingen.Vijf jaar later zaten deze PRSP’s onmiskenbaar in een neoliberaal kleedje. Eisen tot privatiseringen, bedrijfswinsten en regels omtrent het begrotingsbeleid vormden het hoofdthema van de PRSP’s. Met geen woord werd er gerept over sociale investeringen, inkomens en herverdelingen.In 2000 werden binnen de VN de MDG’s goedgekeurd, maar tevergeefs waren deze doelstellingen enkel gericht op armoedebestrijding en niet op structurele wijzigingen of een intensief ontwikkelingsbeleid. De MDG’s zijn zeker niet ambitieus te noemen omdat ze in het beste geval de extreme armoede met 19% zouden kunnen verminderen.De G8-top in 2005, waarin men een balans zou opmaken was op zijn minst gezegd ontgoochelend omdat de MDG’s nauwelijks aan bod kwamen, er geen concrete toekomstplannen gemaakt werden en er geen extra financiën vrijkwamen. Mestrum toont met deze historische schets dat de internationale gemeenschap de afgelopen twintig jaar zijn ambities voor de ontwikkelingssamenwerking gradueel aan het reduceren is. Mestrum kan hier ook uit besluiten dat het beleid van de Wereldbank en IMF en de WTO bijzonder coherent is. Allen focussen ze zich uitsluitend op de creatie van een vrije wereldmarkt met een gunstig investeringsklimaat voor multinationale bedrijven. ‘Good governance’ in de ontwikkelingslanden wordt gepromoot enkel om dat er zo een stabiel economische klimaat gecreëerd kan worden, zodat economische groei gestimuleerd wordt. Verder legt Mestrum ook de nadruk op het feit de ‘ontwikkeling’ binnen deze invloedrijke organisaties meer en meer herleid wordt tot ‘armoedereductie’. Ondanks deze pessimistische conclusies uit de recente geschiedenis van de internationale ontwikkelingssamenwerking, tracht Mestrum toch met een positieve noot af te sluiten. De ontwikkelingssamenwerking kan volgens haar nog net ontsnappen aan een dramatische mislukking wanneer internationale organen zoals de Wereldbank en het IMF zich overtuigd toespitsen op de structurele oorzaken van armoede en onderontwikkeling. Het huidige armoedebeleid is onvoldoende en impliceert zeker geen ontwikkeling. Armoedebestrijding is, volgens Mestrum immers nooit progressief als niet tegelijkertijd de ongelijkheid wordt aangepakt. Een focus op solidariteit en sociale gelijkheid is dan ook noodzakelijk en moet de vorm krijgen van een mondiale herverdeling. Ook ik ga akkoord met de visie dat er duidelijk een nieuwe sociale wind moet gaan waaien doorheen de neoliberale bossen van Bretton Woods. Er moet afgestapt worden van de verstikkende fixatie op economische groei. Groei en armoedebestrijding leiden immers niet automatisch tot fundamentele ontwikkeling. De geschiedenis en de recente statistieken betreffende armoede en sociale ongelijkheid bewijzen dat het internationale neoliberale experiment is gefaald: De wereldwijde extreme armoede is nog lang niet uit de wereld gebannen. Het beleid van armoedebestrijding, via een gerichtheid op groei heeft niets te maken met sociale rechtvaardigheid. Het is geen strijd tegen de mondiale socio-economische ongelijkheid en voor herverdeling en staat in principe haaks op sociale brede ontwikkeling Het wordt derhalve dringend tijd om een nieuwe koers te varen. Deze koers moet mijn inziens niet zo extreem beschouwd worden als Mestrum dit doet. Zij pleit immers voor een mondiale herverdeling van het kapitaal. Dit vind ik persoonlijk overdreven en zie ik binnen het huidige kapitalistische klimaat nooit gebeuren. Wel wil ik pleiten voor algemene mentaliteitsveranderingen in de internationale politieke arena. Armoede moet bij de wortels aangepakt worden en er moet aldus een focus ontstaan op de structurele oorzaken van armoede en sociale exclusie. Ontwikkelingsstrategieën moeten vertrekken vanuit een aantal publieke goederen die voorzien moeten worden voor elke wereldburger. Vrede, veiligheid, sociale gelijkheid, gezondheid, onderwijs, een gezond klimaat en gendergelijkheid zijn aspecten die het basisrecht vormen voor elke burger en de internationale instellingen, kaliber Wereldbank, VN, IMF en WTO zijn hiervoor verantwoordelijk. Armoede zou op die manier van uit een mensenrechtendimensie bekeken met worden. Concreet moet dit vorm krijgen in massale investeringen vanuit het noorden in deze basisrechten. Overheidsinvesteringen in onderwijs, gezondheidszorg, milieuzorg en sociale zekerheid zijn cruciaal willen de structurele oorzaken van armoede onder handen genomen worden. Verder ben ik daarenboven voorstander van een pragmatische aanpak van het armoedeprobleem. Een totale afzwering van het kapitalisme en de vrije markt zou volkomen naïef en onrealistisch zijn. Algemeen gezien geloof ik in het bijzonder positieve effect dat economische groei en ontwikkeling kan hebben. Maar vooreerst de vrije markt zijn werk kan doen, moeten een aantal basisinvesteringen gebeuren. Bepaalde landen kunnen door verschillende omstandigheden (geografische isolatie, epidemieën, klimaat, hongersnood, etc) simpelweg geen rol spelen in de mondiale economie. Het is aan de internationale donorgemeenschap om hen een duwtje in de rug te geven. Om het met de woorden van Sachs te zeggen:
“Then, once they’re on the first rung of the ladder of development, they’ll start climbing just like the rest of the world”
De hoop op een andere meer eligataire wereld krijgt dus vorm binnen het kapitalisme, maar dan wel een kapitalisme met een sociaal gezicht. Structurele aanpassingen zijn dus nodig willen we extreme armoede voorgoed uit de wereld bannen. Deze structurele veranderingen moeten op de politieke agenda komen anders blijft het internationale ontwikkelingssamenwerkingdiscours een pijnlijk trage processie van Echternach.