Jeroen Vonck – Globalization’s effect on the poor (filmpje)
Youtube.com : “Globalization’s effect on the poor” door C.K. Prahalad
De vraag of de gevolgen van de globalisering goed of slecht zijn voor de armen heeft geen éénduidig antwoord. Volgens Prahalad zijn er voor de armen zowel goede als slechte gevolgen. Eén van de goede zaken die werden teweeg gebracht door de globaliserings-trend is het feit dat meer en meer mensen de 1$/day-grens aan het overstijgen zijn. Ook het feit dat Westerse mogendheden nu heel geïnteresseerd zijn in hoe het er aan toe gaat op economisch vlak in andere landen is een positief iets. Een nadeel is echter het stijgen van de inkomensongelijkheid. Het is inderdaad zo dat meer mensen de armoede kunnen ontvluchten maar de kloof tussen arm en rijk wordt alsmaar groter en groter. Dit zorgt natuurlijk voor sociale onrust.
Prahalad beoordeelt deze inkomensongelijkheid aan de hand van de Gini-coëfficient. We zien dat ook Westerse landen hier slecht op scoren maar dat hun evolutie over de jaren heen relatief stabiel is gebleven. Bij ontwikkelingslanden en landen waar de industrie sterk aan het opkomen is zien we echter een ander plaatje. De inkomensongelijkheid is in deze landen de laatste jaren spectaculair gestegen. Waar ze vroeger arm waren maar meer sociale gelijkheid hadden zijn ze nu rijk maar met veel meer sociale ongelijkheid. Dit kan dus niet echt een positieve evolutie worden genoemd.
In heel veel van deze landen wordt dan ook druk gedebatteerd over hoe deze inkomensongelijkheid kan worden weggewerkt. Het woord ‘inkomensongelijkheid’ wordt evenwel niet uitdrukkelijk in de mond genomen maar men heeft het eerder over het ‘harmoniseren’ van de maatschappij. Prahalad stelt dat er drie mogelijke routes kunnen bewandeld worden om dit probleem aan te pakken:
1.) De inkomens doen stijgen en zodoende ervoor zorgen dat mensen wat rijker worden.
2.) Inkomensongelijkheid bestrijden door lonen te drukken en ervoor te zorgen dat de lagere klassen financieel dichter komen te staan bij de erboven liggende klassen. Hierdoor wordt dan wel sociale cohesie gecreëerd maar stijgt de welvaart niet noodzakelijk.
3.) Men kan ervoor zorgen mensen gemakkelijker kunnen doorstromen naar een hogere inkomensklasse door mobiliteit (in de werksfeer) te vergemakkelijken.
Prahalad stelt dat enkel opties 1 en 3 valabel zijn en dat optie 2 moet worden vermeden omdat men dan terugkeert naar een socialisme waarbij men de gehele bevolking naar een lager niveau trekt. Volgens hem dienen er strategieën te worden ontwikkeld om te zorgen dat de lonen stijgen en om de mobiliteit van de mensen te vergroten. Deze mobiliteit is volgens hem ook mentaal belangrijk omdat hij ervan overtuigd is dat als mensen hopen dat ze aan de armoedeval kunnen ontsnappen ze ook alles in het werk zullen stellen om dit te bereiken. Prahalad geeft wel toe dat deze maatregelen op korte termijn een zeer grote inkomensongelijkheid zullen creëren en dat de sociale spanningen binnen een maatschappij sterk kunnen oplopen. Hij heeft er blijkbaar wel vertrouwen in dat deze maatregelen er op de lange termijn voor zullen zorgen dat de inkomensongelijkheid wordt weggewerkt en dat de sociale rust zal terugkeren. Vanuit zijn optiek is de belangrijkste vraag die gesteld dient te worden dan ook de vraag hoe de gevolgen van een snelle economische ontwikkeling in goede banen kunnen worden geleid.
Prahalad schetst hier volgens mij een iets te utopisch beeld. Hij heeft iets teveel vertrouwen in het feit dat de maatschappij zichzelf wel zal rechttrekken nadat men de inkomens heeft doen stijgen en de mobiliteit heeft vergroot. De sociale onrust die door dergelijke maatregelen kunnen ontstaan onderschat hij volgens mij. Als men hoop creëert dan willen mensen daar uiteindelijk resultaten van zien, als deze resultaten uitblijven kunnen de gemoederen opgehitst geraken met alle gevolgen van dien. Het negeren van optie 2 lijkt mij een grote fout. De sociale cohesie binnen een maatschappij is volgens mij even belangrijk als economische welvaart en bij alle economische maatregelen dient men dan ook rekening te houden met deze sociale dimensie van het leven. Een liberale instelling die het sociale luik van het menselijk leven niet indachtig is leidt mijns inziens niet tot de beste resultaten. De Verenigde Staten is hiervan een goed voorbeeld, een economisch welvarend land waar echter grote groepen mensen in armoede leven. In de economische ontwikkeling van de derde wereld dient men ook na te denken over een sociaal vangnet naast andere economische maatregelen.
De inkomensongelijkheid die door optie 1 wordt gecreëerd is iets dat zal blijven bestaan indien men niet goed oplet. De kloof tussen arm en rijk zal niet op miraculeuze wijze worden gedicht. Als al het geld zich bij hoe langer hoe minder mensen zal bevinden dan gaan deze mensen hun positie uit alle macht verdedigen en ze zullen dit wellicht behoorlijk succesvol kunnen doen aangezien de economie aan hun kant staat. Deze houding zal hoogstwaarschijnlijk niet bevorderlijk zijn voor de sociale peis en vree. De armen zullen verder in de verdomhoek worden geduwd tot ze het niet meer pikken.
Optie 3 lijkt mij een goede keuze te zijn maar ook hier dient men de processen goed in de gaten te houden. Als men armen iets gaat voorhouden waar ze net niet bij kunnen zal dit evengoed voor onvrede zorgen. Ook dienen deze mobiliteitskansen volgens mij gepaard te gaan met onderwijskansen zodat mensen kunnen blijven doorgroeien. Werkgevers moeten hiermee rekening houden en kunnen eventueel zelf cursussen aanbieden aan hun werknemers.