Joeri Brusselle-Neoliberalism:Myths and Reality
Neoliberalism: Myths and Reality, 2006, Martin Hart-Landsberg, Monthly Review, Vol. 57, no. 11, April 2006 (commentaar op niet-wetenschappelijk artikel).
Link artikel M. Hart-Landsberg: http://www.monthlyreview.org/0406hart-landsberg.htm
Link artikel S. Amin: http://www.monthlyreview.org/1003amin.htm
Samir Amin stelt in zijn artikel World Poverty, Pauperization & Capital Accumulation dat de moderne kapitalistische landbouw een regelrechte aanval is op de kleinschalige landbouw in de derde wereld. Deze aanval werd ingezet met de start van de multilaterale handelsonderhandelingen tijdens de Doha-ronde in de WTO (World Trade Organisation). Het toepassen van de algemene principes van vrije concurrentie en deregulering van de markten staat volgens Amin gelijk met de eliminatie van miljarden kleinschalige niet-competitieve landbouwers in de wereld. Hij ijvert dan ook voor een alternatief waarbij zowel de kleinschalige landbouw als technologische en sociale vooruitgang kunnen voortbestaan.
Ook Martin Hart-Landsberg stelt vast dat vrijhandelsakkoorden en de WTO-principes in het belang zijn van de kapitalistische machten in het Noorden en dit ten koste van groeiende economische instabiliteit en verslechterende leef- en werkomstandigheden in de minder ontwikkelde landen. Ondanks deze realiteit, blijft het neoliberalisme herhalen dat liberalisatie, deregulering en privatisering de beste oplossing zijn om armoede uit de wereld te helpen. Hart-Landsberg merkt op dat voorstanders van de WTO-principes vrijhandel voorstellen als iets wat zorgt voor een hogere efficiëntie en een maximalisatie van de economische welvaart. Deze focus op vrijhandel verbergt volgens hem echter een veel bredere politieke en economische agenda die er op uit is, de winst van grotere bedrijven uit te breiden en te verhogen. Hij valt de superioriteit van vrijhandel dan ook aan op zowel theoretisch als empirisch vlak.
De theorie waarop vrijhandel rust, is gebaseerd op de theorie van de comparatieve voordelen. Deze theorie adviseert landen om een volledige gedereguleerde internationale handel toe te laten om zoveel mogelijk de comparatieve voordelen en nationale productiepatronen te kunnen vaststellen. Deze theorie en latere verfijningen, voorspellen een welvaartsverhogend effect van vrijhandel, maar de veronderstellingen waarop deze theorieën gebaseerd zijn (bijv. perfecte concurrentie) beantwoorden niet echt aan de realiteit. Als deze veronderstellingen niet opgaan, is er ook geen enkele reden om aan te nemen dat volledige vrijhandel ten goede zal komen van de interne welvaart in een land.
De voorstanders van het neoliberalisme verdedigen de voordelen van vrijhandel echter vaak met sterk gesofisticeerde simulaties en wiskundige modellen. Hart-Landsberg trekt deze empirische bewijzen echter sterk in twijfel omdat de modellen meestal gebaseerd zijn op dezelfde problematische veronderstellingen als bij de theorie van de comparatieve voordelen. Men creëert m.a.w een model waarbij volledige handelsliberalisering niet kan gepaard gaan met werkloosheid, kapitaalvlucht of handelsbalansonevenwichten. Vrijhandel is dan uiteraard altijd positief. Bovendien merkt hij op dat de voorspelde voordelen voor de ontwikkelingslanden vaak zeer klein zijn.
Volgens Hart-Landsberg moeten we de dieperliggende oorzaak van het falen van vrijhandel echter niet bij het neoliberalisme zoeken, die hij enkel als een set beleidsregels ziet, maar eerder bij het kapitalisme die hij als een dynamisch en uitbuitend systeem beschouwd. De kapitalistische drijfveer voor steeds grotere winstgevendheid heeft er immers voor gezorgd dat ontwikkelingslanden steeds meer verplicht werden te liberaliseren en te dereguleren, dit ten koste van de noden van de werkende klasse. De laatste nieuwe vorm van dit soort kapitalisme vindt Hart-Landsberg terug in de Buitenlandse Directe Investeringen (BDI). Ontwikkelingslanden zagen dit als een stimulans voor hun export en een nieuwe bron van kapitaal en deden er dan ook alles aan om zoveel mogelijk BDI aan te trekken. Veel landen probeerden hun investeringsklimaat aantrekkelijker te maken en daarbij werd vooral de nadruk gelegd op liberalisatie, deregulatie en het creëren van een ondernemingsvriendelijk klimaat. Veel landen met die konden genieten van veel BDI kenden vaak een snelle industrialisatie en werden belangrijke exporteurs van hoogtechnologische producten. Voorstanders van het neoliberalisme zien dit als een bewijs voor de voordelen van liberalisatie en het belang van vrijhandel voor ontwikkeling. De realiteit leert ons echter dat de BDI weinig bijgedragen hebben tot het verhogen van de levensstandaard en de economische stabiliteit in de ontvangende landen. De liberalisatie heeft in vele landen geleid tot een verdringing van de binnenlandse industrie en een stijgende werkloosheid. Bovendien bleef de voorspelde overdracht van kennis en technologie op de ontvangende landen meestal uit en maakte BDI de ontwikkelingslanden sterk afhankelijk van buitenlandse vraag.
Als voorbeeld van dit soort mechanismen beschouwt Hart-Landsberg China. Dit land is momenteel één van de grootste ontvangers van BDI, één van de grootste goederenexporteurs en hoort bij de snelst groeiende economieën in de wereld. Deze groei heeft echter slechts een kleine elite verrijkt en ging gepaard met de uitbuiting van een groot deel van de Chinese arbeidsbevolking. Zo leidde de liberalisatie van de overheidsbedrijven tot het ontslag van dertig miljoen werknemers en een gigantische stijging van de werkloosheid. Bovendien was de nieuwe werkgelegenheid die multinationale ondernemingen met zich mee brachten vaak extreem laag betaald.
Het is duidelijk dat zowel Amin als Hart-Landsberg armoede als een structureel probleem zien en als een onafwendbaar bijproduct van het huidige kapitalistische systeem. Wanneer men vandaag naar de grootschalige armoede in de wereld kijkt, stelt men vast dat het kapitalisme inderdaad niet voor iedereen werkt. Bovendien heb ik ook sterke twijfels of vrijhandel de ideale oplossing is voor het verhelpen van deze armoede. Veel van de theoretische welvaartseffecten blijven inderdaad uit bij de ontwikkelingslanden en het is duidelijk dat de veronderstellingen voor de theorie in werkelijkheid niet opgaan. Toch blijven de rijkere landen ijveren voor meer vrijhandel en diepgaandere liberalisering in de ontwikkelingslanden. Hierbij benadrukken ze sterk de positieve welvaartseffecten voor de landen in het Zuiden en vermeld men slechts terzijde dat het ook gigantische voordelen zou hebben voor de rijkere landen. Dit doet de indruk ontstaan dat het discours van vrijhandel als ontwikkelingsinstrument slechts een camouflage is om de drang naar eigen welvaartsverbetering te verbergen. De Economische Partnerschaps-Akkoorden die de EU eind 2007 wil afsluiten met landen uit Afrika, de Cariben en de Stille Oceaan (ACP-landen) lijken hiervan het mooiste voorbeeld te vormen. De Europese commissie blijft benadrukken dat de diepgaande regionale vrijhandelsakkoorden bedoeld zijn om de ACP landen in de wereldhandel te integreren en op die manier bij te dragen aan een duurzame ontwikkeling en armoedebestrijding. Hier is hevige kritiek op ontstaan, niet in het minst door de ACP landen zelf. Zij vrezen immers dat de voordelen voor hen niet zullen opwegen tegen de nadelen.. Deze vrees is volgens mij grotendeels terecht. Het is immers waarschijnlijk dat binnenlandse boeren en bedrijven, wegens een gebrek aan productiecapaciteit, infrastructuur en menselijk kapitaal niet zullen kunnen opboksen tegen de veel efficiëntere invoer uit de EU. Dit kan leiden tot een sluiting van veel binnenlandse bedrijven, met ontslagen en grotere armoede tot gevolg. De ACP-landen bezitten ook niet over de middelen om aan de sociale gevolgen van de ontslagen en daling van de binnenlandse landbouwactiviteit het hoofd te bieden. De afschaffing en verlaging van de invoertarieven, samen met de nodige hervormingskosten zullen de inkomsten van de overheid bovendien sterk doen dalen. Het is dan ook maar de vraag of de voorspelde voordelen van deze vergaande liberalisering ( lagere consumentenprijzen, aantrekken BDI, verhoging concurrentie, …) de nadelen zullen kunnen compenseren. Als de EPA’s echt ontwikkelingsinstrumenten zijn en willen bijdragen tot een daling van de armoede, waarom ligt de nadruk dan vooral op een zo snel mogelijke liberalisering en helpt de EU de ACP landen eerst niet met de opbouw van capaciteit, infrastructuur en menselijk kapitaal? De EU argumenteert dat de diepgaande liberalisering er zo snel mogelijk moet komen en dat dit dan automatisch wel tot ontwikkeling zal leiden. De teksten van S.Amin en Hart-Landsberg toonden eerder al aan dat we daar sterk onze twijfels kunnen over hebben. Bovendien kan men zich vele vragen stellen bij de massale landbouwsubsidies die de EU aan de eigen boeren geeft, terwijl men bij de ACP landen pleit voor meer deregulering en liberalisering. Waarom mag de EU de landbouwers in Europa wel beschermen, maar moeten Afrikaanse staten toelaten dat de eigen landbouwers weggeconcurreerd worden en in nog grotere armoede belanden?
Zonder voor een volledige omverwerping van het kapitalistische te pleiten, denk ik dat zowel Amin als Hart-Landsberg een sterk punt hebben wanneer ze vaststellen dat het huidige neoliberale systeem voor veel mensen op de wereld niet bijdraagt tot een verbetering van de levensomstandigheden. De vrije markt kan dan wel kansen bieden voor de armen in de wereld, toch stellen we maar al te vaak vast dat het ook vernietigend kan werken voor ontwikkelingslanden. Dit doet de indruk ontstaan dat armoede voor een deel structureel is. Vrijhandel lijkt slechts voor een paar groepen en landen welvaartsverhogend te werken, en duwt maar al te vaak een groot deel van de bevolking in de derde wereld in nog grotere armoede. We kunnen dan ook sterke twijfels hebben bij de ontwikkelingsdoelstelling van vrijhandel. Als men echt landen wil helpen ontwikkelen, waarom zouden de armere landen dan hun eigen markt niet voor een stuk mogen beschermen? Waarom mag men de binnenlandse producenten niet ondersteunen en regionale markten niet afschermen van de concurrentie van de rijkere landen? Waarom laat men de ontwikkelingslanden dan niet toe om eerst voldoende capaciteit op te bouwen om aan de concurrentie van de veel efficiëntere westerse producenten het hoofd te bieden?
Marijke Herremans zei,
december 19, 2007 bij 9:45 am
Om dieper in te gaan op het artikel “Neoliberalism: Myths and Reality ” en bijhorende commentaar van Joeri Brusselle, zou ik graag beroep doen op een reportage van Dirk Barrez over “het effect van Amerikaanse katoensubsidies op Afrikaanse katoentelers” (2004). Dit filmpje kan men rechtstreeks bekijken op
http://ikwilniet.org/video/senegal.wmv
In het filmfragment zien we hoe in Afrika, ook in de meest arme landen van het continent, miljoenen mensen leven en overleven van de katoenteelt en de opbrengst ervan. De reportage leert ons dat de prijs van katoen in 9 maanden tijd gedaald is met 40%. De dalende katoenprijs heeft een enorme impact op het inkomen en bijgevolg op het leven van de katoentelers. Katoentelers in Afrika geraken hierdoor meer en meer gedemotiveerd. De oorzaak die aan de basis ligt van de dalende katoenprijs, is de steun die rijke landen en dan vooral de Verenigde Staten geven aan hun katoentelers. De hoeveelheid financiële steun die de Verenigde Staten geven aan hun katoentelers is meer dan twee maal zo groot als het geld dat ze spenderen aan de totale ontwikkelingshulp voor Afrika. Pittig detail, de katoentelers die door Amerika gesubsidieerd worden, zijn met 25.000 versus 20.000.000 Afrikaanse katoentelers.
De enorme hoeveelheid katoen die door de landbouwers die financieel gesteund worden door de Verenigde Staten wordt geproduceerd, zorgt ervoor dat de wereldmarkt overspoeld wordt met katoen. Hierdoor stort de prijs van katoen in elkaar en worden de Afrikaanse katoentelers uit de markt geconcurreerd.
De Afrikaanse katoentelers voelen zich terecht benadeeld. Uit het filmfragment wordt duidelijk dat ze geen liefdadigheid willen maar rechtvaardigheid. De Afrikaanse katoenteelt voert dan ook volop strijd tegen de buitenlandse exportsubsidies en voor een eigen textielindustrie. Als ze die strijd zouden winnen, zouden de voordelen enorm zijn. De prijs van katoen zou opnieuw stijgen waardoor lokale boeren opnieuw voldoende inkomsten zouden hebben om te (over)leven.
Binnen de Wereldhandelsorganisatie (WTO) kwam men in 2004 tot de conclusie dat de inmenging (in de vorm van massale subsidies) van de Verenigde Staten de wereldmarkt verstoort en de lokale marken niet ten goede komt. Of het WTO er ook effectief in slaagt om de VS haar subsidies te laten intrekken, is nog zeer de vraag.
Een belangrijk onderscheid dat in het filmfragment wordt gemaakt is het verschil tussen exportsubsidies en steun aan de eigen, lokale landbouw in Afrika. Volgens een plaatselijke landbouwer is het rechtvaardig om de export niet te subsidiëren. Exportsubsidies zijn vaak een aanslag op het inkomen en bijgevolg op het leven van arme mensen. De interne markt en plaatselijke landbouw daarentegen, die ervoor zorgt dat de lokale bevolking kan leven van de producten die ze produceren, verdient de nodige steun en respect. Het gaat hierbij immers om de voedselsoevereiniteit van een land. Het ondersteunen van de interne markt houdt in dat de lokale landbouwers een gerechtvaardigde plek in de samenleving krijgen en het daarbij horende inkomen.
Een ander merkwaardige feit dat in de film naar voren komt, is het feit dat het merendeel van de lokale bevolking katoenen kleding draagt en dit terwijl vrijwel alle katoen onbewerkt wordt uitgevoerd. Deze kleren komen uit Azië, uit landen zoals Bangladesh of Thailand die in de voorbije decennia een industriële textielsector hebben ontwikkeld, of uit Europa, in grote mate gaat het hierbij dan over tweedehandskleren. Een lokale landbouwer in de reportage klaagt deze situatie aan en pleit voor een verbod op de invoer van tweedehandskledij uit Europa die Afrika overspoelt. Hij pleit ervoor om zélf katoen te verwerken en stoffen te fabriceren, alleen zo kan volgens hem een gezonde Afrikaanse industrie worden opgebouwd. De bedenking die hierbij gemaakt moet worden, is dat een plaatselijke industrie pas kans op slagen heeft als het niet moet opboksen tegen de bikkelharde concurrentie op de vrije markt.
Duidelijk wordt dat de open wereldmarkt, zoals ook in het artikel “Neoliberalsm: Myths and Reality ” wordt weergegeven, desastreuze gevolgen heeft voor de landbouwmarkten in arme landen. Arme landen zouden het recht moeten krijgen om zich af te schermen tegen de concurrentie van de rijkere landen op de vrije markt. Enkel op die manier zouden ze een volwaardige kans krijgen om een gezonde en weerbare interne markt op te bouwen. Hiermee sluit ik mij volledig aan bij (het laatste deel van) de commentaar die Joeri Brussele gaf op het artikel “Neoliberalism: Myths and Reality” van Martin Hart-Landsberg.