Joris Willems – Gérard Karlshausen on development aid quality
Ter gelegenheid van de recente top tussen Afrika en de EU in Lissabon, staken ook enkele actoren uit de civiele maatschappij hun hoofden bij elkaar op het Euro-African Civil society Forum. Een groot aantal van de samenvattende conclusies zijn terug te vinden op de blog http://podcasts.bond.org.uk/ . Uit het arsenaal aan bijdragen die vooral de aandacht vestigden op het onderhandelingsproces en de inhoud van de Economische Partnerschapsakkoorden (EPA’s) koos ik de video met Gérard Karlshausen, lid van de raad van bestuur van CONCORD (European NGO Confederation for Relief and Development). Hij maakt een korte balans op van enkele problemen met betrekking tot de structuur van de ontwikkelingshulp en suggereert enkele prioriteiten als aandachtspunten.
De vraag die Karlshausen zich stelt is hoe de hulpstromen kunnen gecontroleerd worden. Achter de hulpstromen zitten veel zaken die weinig met hulp te maken hebben, zo stelt hij. Daarbij wordt verwezen naar commerciële en strategische belangen en veiligheid. Bovendien wordt de hulp vaak als pasmunt gebruikt om andere akkoorden af te sluiten. Karlshausen wijst erop dat ontwikkelingshulp geen drukkingsmiddel mag zijn en zeker geen middel tot chantage. Hij lijkt te alluderen op de bijzonder harde positie die de EU innam in de onderhandelingen van de EPA’s. Naast de dreiging van hogere importtarieven op de Europese markt ging het hardnekkige gerucht de ronde dat de hulpkraan wel eens zou kunnen dichtgedraaid worden als er geen akkoorden werden ondertekend. Verwijzend naar mijn elders op deze blog gepubliceerde commentaar (http://armoede.wordpress.com/joris-willems-epa-update-20-december-de-valstrik/), kunnen we de vraag stellen of landen als Ivoorkust en Ghana niet gezwicht zijn onder deze druk.
De transparantie van de hulp is een van de belangrijkste voorwaarden om controle mogelijk te maken. « Quel argent a été promis à qui et pour quoi faire ?» Als voorbeeld wordt de budgethulp aangehaald voor bestaande strategieën en programma’s. Deze budgethulp is op zich een goede werkwijze daar ze lokale programma’s kracht bij zet, maar er zitten ook problemen aan verbonden. Karlshausen wijst op de moeilijke taak om een zicht te krijgen op de exacte besteding van het geld. Zowel de EU als NGO’s hebben nog een lange weg te gaan om deze hulpstromen meer doorzichtig te maken. Welke concrete stappen er moeten gezet worden om deze transparantie te bewerkstelligen laat de spreker in het midden.
Karlshausen stelt een drietal prioriteiten voorop om ontwikkelingshulp te verbeteren. In de eerste plaats is de versteviging van de positie van de actoren op lange termijn een noodzaak. Zeg maar empowerment: scholing en opleiding. Het is enkel zó dat zij hún capaciteiten efficiënt zullen kunnen inzetten om hún ontwikkelingsprojecten degelijk uit te werken. We zouden onszelf telkens de vraag moeten stellen of een project de capaciteiten van de actoren versterkt dan wel verzwakt. Bestaande structuren afbreken en nieuwe opbouwen die vaak al te sterk gelooid zijn op de leest van ons eigen ontwikkelingsproces is veelal nefast. In de tweede plaats legt Karlshausen de nadruk op het belang om lokale producttransformatie mogelijk te maken om toegevoegde waarde te kunnen creëren en niet afhankelijk te blijven van de export van ruwe grondstoffen. Dat de lokale markt dan in zekere mate moet kunnen afgeschermd worden lijkt me een evidentie.
Een derde prioriteit is voor Karlshausen de rol van de civiele maatschappij in de structurering en de programmering van de hulp. Er is wat dat betreft zeker al vooruitgang geboekt, maar niet we zijn nog lang niet op het einde van de rit. De civiele maatschappij moet zich blijven organiseren en structureren om een volwaardige gesprekspartner te worden. Praktisch kan men zich afvragen hoe een vrouwengroep die op duizend kilometers van de hoofdstad zit waar onderhandelingen plaats hebben, inspraak krijgt in het proces ? Het consultatie- en participatieproces moet ook afgestemd zijn op de bestaande civiele maatschappij. Hoe kunnen actoren uit die civiele maatschappij op enkele weken tijd de vaak zeer technische rapporten vertalen naar de lokale realiteit en hun impact erop inschatten ? Een van de belangrijke taken die ze dienen te vervullen is deze van waakhond, maar een waakhond die aan de ketting ligt of geen tanden heeft, heeft weinig impact. Hij blaft, maar kan niet bijten. Een consultatie zonder dat deze actoren een noemenswaardige impact hebben op de politieke besluitvorming blijft schoonheidsoperatie, een maskerade. Karlshausen besluit dat het huidige proces van overleg en participatie vooral kosmetisch is.
Strategieën met betrekking tot ontwikkeling en armoedebestrijding moeten – zoals het overigens ook geformuleerd werd door de Wereldbank met betrekking tot de Poverty Reduction Strategy Papers – een breed maatschappelijk draagvlak hebben. Niet enkel ownership, maar broad-based ownership. Enkel zo, als mensen geloven in een strategie omdat ze er zelf mee aan hebben gebouwd kan men komen tot efficiënte programma’s. Het opdringen van akkoorden die al te vaak de nadruk leggen op de handelsbelangen van de donorlanden en zo de kwetsbaarheid van ontwikkelingslanden vergroten is ronduit schandalig en een verkwisting van budgetten voor ontwikkelingshulp. Het volstaat hier nogmaals te verwijzen naar wijze waarop de EPA’s met sommige landen werden gesloten. Maar hoe organiseer je de civiele maatschappij ? Wat Karlshausen lijkt aan te geven is dat empowerment in dat opzicht een van de cruciale elementen in het ontwikkelingsproces is. Op alle niveaus. Het geeft burgers een ander perspectief op hun eigen rol in het proces, geeft actoren van de civiele maatschappij meer slagkracht tegenover lokale politici, de lokale politici een sterkere positie tegenover buitenlandse druk. Onderwijs voor ontwikkeling. In mijn commentaar op de videobespreking van Katrijn Meirlaen kom ik hier op terug.
Armoede, een marktprobleem ? Een probleem van of voor de markt ? Natuurlijk niet. Het is er eerder een opportuniteit voor. Armoede zet mensen in minder gunstige onderhandelingsposities waar privé-ondernemingen en economische unies hun voordeel uit kunnen halen, dat hoeft geen betoog. Laat me even terugkomen op wat Karlshausen zei over de afleiding van ontwikkelingsbudgetten naar veiligheid, en strategische en commerciële belangen. (Buitenlandse) investeringen zijn nodig, zoveel is duidelijk. Winst is daarbij geen scheldwoord. Maar het merendeel van de netto winst moet ter plaatse kunnen blijven om opnieuw geïnvesteerd te worden in de lokale economie. Zolang de winst structureel wordt afgeroomd naar buitenlandse aandeelhouders draagt de investering te beperkt bij aan het ontwikkelingsproces. Dat is een structureel probleem. In dat kader kunnen we denken aan het nut van publiek private samenwerkingsverbanden waarin duidelijke winstmarges voor het privébedrijf worden aangegeven.
Tot slot nog dit, een idee, een ballon die ik oplaat. Misschien moeten we de eerste millenniumdoelstelling durven omkeren. In plaats van de extreme armoede tegen 2015 te willen halveren, de extreme rijkdom tegen 2015 halveren. Een plafond leggen op de winst die in een privaat potje terecht mag komen. Boven dat plafond een herverdelingsmechanisme ontwikkelen, een fonds creëren dat noodzakelijke investeringen in ontwikkelingslanden mogelijk maakt waarvan de winsten ter plaatse blijven. Dat dit makkelijker gezegd is als gedaan besef ik maar al te goed. Je mag er de ondernemersgeest niet door stuk maken. Maar het lijkt me wel een interessante piste om verder over te reflecteren. Denken we daarbij ook aan de levendige discussies met betrekking tot de Tobin-tax. Het probleem zijn niet de armen. Het probleem is niet dat er te weinig voedsel is of dat er te weinig geld circuleert. Het probleem is dat de verdeling van de rijkdom zo’n hallucinante proporties aanneemt, dat scheve machtsverhoudingen onstaan die op hun beurt leiden tot een blijvende ondergeschikte rol en afhankelijkheidspositie van de armen en de ontwikkelingslanden. Mijns inziens mogen we vooral dát niet vergeten bij het zoeken naar een oplossing zoeken voor het armoedeprobleem.
Joris Willems
December 2007