Katrijn Meirlaen – Huidige ontwikkelingsbeleid (inzake armoedebestrijding) te betuttelend?
De Stoop, C. (2007), “Huidige ontwikkelingsbeleid is te betuttelend.” 30/10/2007, geraadpleegd op 27/12/2007. http://www.knack.be/nieuws/belgie/-huidig-ontwikkelingsbeleid-te-betuttelend-/site72-section24-article9372.html
Chris de Stoop: Huidige ontwikkelingsbeleid is te betuttelend.
In de kerstperiode worden er traditioneel vele liefdadigheidsacties op poten gezet. Denken we bijvoorbeeld aan Studio Brussels initiatief om de waterproblematiek uit vele derdewereldlanden in de verf te zetten, wat en passant nog eens enkele miljoenen euro in het laatje bracht voor de installatie van waterpompen door het Rode Kruis. Tegelijkertijd profileren Angelina Jolie, Bono en Bob Geldhof zich als grote filantropen. Op het sportgala werden duizenden euro’s geschonken aan het Indiase project waarvan Kim Clijsters de meter is. (Particuliere) ontwikkelingssamenwerking zit duidelijk in de lift. Deze met filantropische doelstellingen doorspekte liefdadigheid omschrijft Dirk de Stoop in dit artikel als ‘een nieuw fenomeen’. Het opstarten van private projecten gebeurt nu ook vaak op particulier initiatief: door privépersonen, scholen, jeugdbewegingen, ziekenhuizen, bedrijven en andere organisaties, voorgestuwd vanuit menslievende en solidaire overwegingen en onder de mantel van ‘wij steunen een goed doel’. In hoeverre dit een nieuw probleem is, wil ik hier in het midden laten. Ik wil voornamelijk de visie van Francine Mestrum hierover onder de loep nemen, die ons doet nadenken over de zin van een dergelijke financiering.
Door het bovengenoemde zelfstandige intiatiefnemen (doe-het-zelf-ontwikkelings- samenwerking) krijgen we (verkeerdelijk?) de indruk dat wat we doen ook goed is voor de anderen. We geven vanuit solidaire redenen aalmoezen en voeden zo de illusie dat deze ontwikkelingshulp emanciperend of ‘empowerend’ werkt voor de armen. Francine Mestrum stelt dat juist dit de grote leugen is die we onszelf wijsmaken. Die grote leugen tekent zich door naar het niveau van de (nationale en internationale) ontwikkelingssamenwerking. De meeste ontwikkelingshulp is volledig in handen van de donoren. Bij ‘donor-driven’ ontwikkelingshulp wordt vaak van bovenaf beslist wat ze willen geven aan arme landen en arme mensen, wat deze arme mensen en arme landen nodig hebben, dat armoedebestrijding nu een prioriteit moet zijn en dat dat moet gebeuren met zogenaamde vrijhandel, privatiseringen en dereguleringen. Maar de belangrijkste structurele verandering die moet plaatsvinden, zo stelt Mestrum, is dat arme landen en arme bevolkingen zelf hun lot in handen moeten kunnen nemen opdat zo hun soevereiniteit zou kunnen worden hersteld. Dat doen die landen en die bevolkingen zelf. Wij moeten hen niet het recept geven, maar moeten hen wel de kans geven zelf iets te doen. Zolang dit niet gebeurt, kan je spreken van de grote leugen van de ontwikkelingssamenwerking. Wij bieden ontwikkelingshulp opdat deze emancipatorisch zou kunnen worden aangewend, maar uiteindelijk zijn het vaak wijzelf die er beter van worden. Kortweg komt het komt er op neer dat we meer uít de ontwikkelingslanden halen (zowel op ecologisch als sociaal vlak) dan dat we er naar toe brengen. Dat we, met andere woorden, met de ene hand geven en met de andere hand het geld weer in onze zakken steken.
Om deze valkuil in de toekomst te vermijden is het noodzakelijk dat wij bijdragen tot structurele oplossingen. Structurele veranderingen worden door Mestrum dan ook als de enige effectieve manier gezien om armoede te bestrijden.
Hoewel de meeste structurele oorzaken door de Belgische ngo’s dan wel gekend zijn, streven hun (particuliere) projecten zelf geen structurele oplossingen na. Een manier van werken die de structurele oorzaken niet aanpakt, maar zich integendeel bezighoudt met micro-oplossingen is niet alleen betuttelend voor de lokale bevolking, maar bovendien ook inefficiënt en duur, zo stelt Francine Mestrum. Bovendien leidt het ook tot een cultuur van afhankelijkheid en een miserabilistische beeldvorming. Kortweg, Mestrum pleit ervoor om het huidige ontwikkelingsbeleid stop te zetten en over te gaan tot een mondiaal systeem van herverdeling. De solidariteit moet wel nog versterkt worden, maar dan wel met als doel structurele veranderingen teweeg te brengen op termijn.
Inzake armoedebestrijding stelt zij dat de enige mogelijke manier om armoede te bestrijden herverdeling is. Herverdeling zou niet alleen duurzamer zijn, maar ook effectiever. Om herverdeling te bewerkstelligen, zo stelt zij, zullen er maatregelen genomen moeten worden om zowel inkomens als de (materiële) consumpties in onze eigen landen anders te gaan belasten. Ook internationale geldtransacties zullen belast moeten worden. Door deze twee maatregelen zal de mondiale financiële herverdeling op korte termijn gestalte krijgen[i].
Genoeg stof voor een debat hier.
Armoedebestrijding is het hoofddoel van ontwikkelingssamenwerking, en een van de 8 millenniumdoelstellingen. Armoedebestrijding is een zeer recurrent thema bij het bepalen van de bestuursagenda van een land. Hoewel er welhaast geen dissidente mening wordt bespeurd bij de hoge rangschikking van het armoedeprobleem wordt de concrete invulling ervan niet verder uitgewerkt. Armoede wordt beschouwd als een empirisch feit, maar de vraag naar de mechanismen die deze armoede teweeg brengen wordt vaak over het hoofd gekeken. Samir Amin pleitte reeds voor een structurele benadering van het armoedeprobleem. De Soto ea. argumenteerden dan weer dat armoede veeleer een probleem is dat nood heeft aan een efficiënt managen.
De door de Stoop omschreven ‘nieuwe’ trend binnen de ontwikkelingssamenwerking (geven van microkredieten, het individueel opstarten van projecten, het financieren van lokale projecten, particuliere donoren) speelt duidelijk in op het benaderen van armoede als een probleem dat te ‘managen’ valt door ingrepen op de markt. Ik geloof echter graag dat mensen die geld geven aan micro-ontwikkelingssamenwerking uiteraard graag ook structurele verbetering zien op wereldschaal. Maar zij zien niet hoe zij die structurele verbetering kunnen bereiken. Deze ‘halfslachtige’ benaderingen worden door Mestrum echter gezien als doekjes voor het bloeden. Armoedebestrijding is namelijk niet gebaat bij dergelijke oplossingen, integendeel, armoedebestrijding vereist verregaande structurele omwentelingen. Deze lijn van denken veronderstelt een radicale omkering van het huidige denken en handelen. Het is tijd om te stoppen met liefdadigheid, we moeten voorrang geven aan de structurele oorzaken van armoede en structurele veranderingen doorvoeren.
Mestrum is hier nogal radicaal in. Ga ik hier nu mee akkoord? Ten eerste, zoals ook in het artikel vermeld staat, wil ik niet zo sterk stellen dat ngo’s de structurele problematiek niet in ogenschouw nemen. Vaak zijn lokale projecten effectief wanneer het aankomt op noodhulp, dus daar gaat het argument van structurele veranderingen in plaats van ‘liefdadigheid’ niet op. Hoewel ik niet wil ontkennen dat afhankelijkheid bij deze interventies vaak inherent is, betekent dit niet dat zij een systeem van langdurige afhankelijkheid tot stand brengen. Efficiënt beheer van middelen in handen van lokale participanten kan leiden tot sterke en langdurige resultaten. Dit is mijn inziens ook van toepassing op kleinschaligere initiatieven zoals microkredieten. Efficiënte aanwending van deze bronnen kan een daadwerkelijke vermindering van armoede tot gevolg hebben. Maar tegelijkertijd vind ik het armoedeprobleem ook structureel van aard: armoedebestrijding kan m.i. niet effectief zijn als er globaal meer geld wordt gespendeerd aan bv. oneerlijke handel. Ik ga dus akkoord met Mestrum door te stellen dat structurele omwentelingen, onder de gedaante van een overkoepelende investering in eerlijke handel noodzakelijk zijn. Ondanks de vaak positieve gevolgen op lokaal vlak gaat men bij microprojecten niet op zoek naar de dieperliggende oorzaken van armoede. Bij micro-oplossingen zoekt men naar oplossingen door in te grijpen in de markt, maar aan de basis van armoede liggen structurele oorzaken (het kapitalisme, globlisering, neoliberalisme) die vaak niet in vraag gesteld worden, laat staan dat er iets mee aangevangen wordt. Is het dan inderdaad geen, zoals Mestrum het zegt, ‘doekje voor het bloeden’? Schuiven wij èchte armoedebestrijding (en èchte ontwikkeling) opzij door te investeren in microprojecten? Moeten we dan eens niet dringend onze particuliere doe-het-zelf-armoedebestrijding herbekijken? Moeten we de structurele component van armoede zomaar aanvaarden zonder daadwerkelijk iets te veranderen aan de huidige ontwikkelingshulp? Is ontwikkelingssamenwerking in structurele zin een leugen geworden die steeds weer wordt herhaald? Mestrums tekst levert alvast genoeg stof tot nadenken.
Het ‘spijtige’, maar tegelijkertijd ook uitdagende aan Mestrums stelling is dat zij geen concrete invulling geeft (met uitzondering van de klemtoon op herverdeling) aan hoe deze structurele oplossingen er wel zouden moeten komen. Bovendien stelt zij dat solidariteit (waaronder ik versta: de micro-oplossingen onder gedaante van projecten en particuliere hulp) noodzakelijk blijft, tot op termijn de structurele omwentelingen doorgevoerd zijn. Hoe valt dit met elkaar te rijmen en hoe kan hier meer concreet een gedaante aan gegeven worden?
Het mooie aan dit artikel is dat het me deed nadenken over de dieperliggende doestellingen van ontwikkelingshulp m.b.t. armoedebestrijding. Met de huidige ontwikkelingshulp kan je ‘goede doelen’ vooruit helpen, maar is dat ook ‘het beste’ wat je kan doen? Ik denk dat inzake armoedebestrijding beide benaderingswijzen nodig zijn: zowel individuele ontwikkelingssamenwerking om de levenssituatie van individuele mensen te verbeteren én bewustmakingsacties die aandacht vragen voor structurele verbetering (en tegelijkertijd ook voor een ingrijpende verandering in onze eigen levensstijl).
(zie ook: Keune, L. en Mestrum, F. (2007). “De grote leugen van ontwikkelingssamenwerking”. http://www.uitpers.be/artikel_view.php?id=1852, geraadpleegd op 27/12/2007)
wouter zei,
januari 1, 2008 bij 1:52 pm
Volgens mij is oneerlijke handel het grooste probleem. Europa betaalt aan Afrika te weinig voor hun grondstoffen en landbouwprocuten. Een stap in de goede richting is fair trade. Dat is een gelijkwaardige manier van omgaan met producenten in ontwikkelingslanden: zij leveren een kwalitatief goed product en ze krijgen een loon dat genoeg is om de dokter en de school van hun kinderen te betalen. Zo kunnen ze zichzelf uit hun armoede helpen. Producten met een fair trade keurmerk zijn te koop in sommige supermarkten en in de wereldwinkels, bv chocola, thee, wijn, rijst, vruchtensappen, chocolademelk, ananas etc.