Magali Hawkins: Commentaar op “Understanding Poverty”, de internetsite van de Wereldbank over armoede.

 http://web.worldbank.org/WBSITE/EXTERNAL/TOPICS/EXTPOVERTY/EXTPA/0,,contentMDK:20153855~menuPK:435040~pagePK:148956~piPK:216618~theSitePK:430367,00.html#responding 

Zoals reeds in de inleiding bij deze blog is vermeld, wordt armoede op verschillende manieren gedefinieerd. ‘Armoede’ is een heel moeilijk te hanteren term. Het concept of de perceptie die men heeft op ‘armoede’ bepaald hoe het begrip wordt gedefinieerd en ingevuld. Dit leidt op zijn beurt tot verschillende interpretaties van het probleem, verschillende oplossingen en verschillende meetmethodes die men hanteert.

Op het niveau van de internationale instellingen is het vaak zeer moeilijk gebleken om tot een algemene consensus rond een armoede-definitie te komen. Over de meest eenvoudige omschrijving van armoede heerst er over het algemeen wel een consensus. Armoede wordt dan omschreven als “Basic lack of the means of survival; the poor are those who even in normal circumstances, are unable to feed and clothe themselves properly and risk death in consequence”.[1] Armoede wordt hier gereduceerd tot het uiterste minimum nodig om in leven te blijven. Dit is een zeer absolute definitie. Een absoluut concept van armoede maakt het mogelijk om een absolute armoedegrens te bepalen. Zoals bijvoorbeeld de grens van 1$ (soms 2$) per dag die de Wereldbank stelt. Dit is het inkomen nodig om een minimum aan consumptie goederen te kunnen aanschaffen. De Wereldbank trekt wel een absolute grens, maar wat is dan haar definitie van armoede? 

De enorme invloed van de Wereldbank valt op vlak van internationale ontwikkelingssamenwerking niet weg te denken. Met de idee dat een definitie van armoede ook de strategie van ‘bestrijding’ bepaald in het achterhoofd, is het dus zeer belangrijk om te weten hoe deze instelling armoede definieert.

Om een goed overzicht te bekomen van de evolutie van het armoedediscours van de Wereldbank is het werk ‘globalisering en armoede’ van Francine Mestrum zeker een verrijking. Hierin stelt ze dat zich bij de Wereldbank sinds de jaren negentig een enorme verschuiving heeft voorgedaan, van economische groei naar armoedebestrijding. Sinds het einde van de jaren negentig steunde het beleid van de Wereldbank niet langer op de SAP’s, maar op de PRSP’s. De term ‘ontwikkeling’ verdween bijna volkomen uit het discours. En armoede ging het beleid definiëren. Maar welke armoede?

 Op haar site beschrijft de Wereldbank armoede als volgt: “Poverty is hunger. Poverty is lack of shelter (…) is being sick and not being able to see a doctor (…) is not havig access to school and not knowing how to read (…) not having a job (…) fear for the future, living one day at a time (…) losing a child to illness brought about by unclean water (…) powerlessness, lack of representation and freedom…”. De Wereldbank beschrijft armoede als een zeer multidimensioneel proces. Het is een probleem met vele gezichten. De Wereldbank heeft hier een holistische opvatting over armoede, vele zaken zijn met elkaar verbonden. Paradoxaal hiertegenover gebruikt de Wereldbank echter nog steeds voornamelijk de absolute grens van 1$ inkomen per dag om de extreme armoede te meten. Terwijl geen inkomen hebben niet expliciet in de voorgaande opsomming staat. Andere manieren om armoede te becijferen met meer aandacht voor de verschillende indicatoren worden door de Wereldbank op deze site wel aangehaald en bejubeld, maar de organisatie zegt dat deze niet nuttig zijn om vergelijking op landen niveau te bepalen. Bij deze vergelijkingen zie je dat de organisatie steeds opnieuw terug valt op de eenzijdige benadering van 1$ inkomen als armoede grens. Dan gebruikt de Bank de definitie: “someone is poor when his or her consumption or income level falls below some minimum level necessary to meet basic needs”. Via de bevraging van armen in ‘voices of the poor’ komen de armen nu zelf aan het woord en kunnen ze zelf een definitie van hun situatie geven. Iets waarbij de Wereldbank jammer genoeg geen rekening mee houdt. Ze stelt simpel dat onderzoek heeft aangetoond dat er een grote gelijkenis is tussen een armoedegrens bepaald door objectieve en één door subjectieve bepalingen van basisnoden. De participatie wordt dus bejubeld, maar ondertussen kan de Bank gewoon doorgaan met haar metingen van 1$ inkomen.  Armoede leidt volgens de Wereldbank tot actie. Actie zowel van de armen als de rijken. Vaak beschrijft de instelling armoede ook als een probleem voor zowel arm als rijk. Voor de rijken gaat er voornamelijk een bedreiging uit van de armen. Armoede is dan een bedreiging voor hun rijkdom. Het moet volgens de Bank de rijken niet aansporen tot enige vorm van herverdeling, maar zoals onderaan de site vermeld staat, tot meer en betere hulp. De belangrijkste oplossing die de Wereldbank naar voren schuift voor het enorme armoedeprobleem, dat zowel de armen als de rijken schaadt, is meer markt. De ontwikkelingslanden moeten de privé-sector meer ruimte bieden en investeren in infrastructuur. Ontwikkelde landen op hun beurt moeten zorgen dat de wereldeconomie goed draait en ze moeten hulp verlenen. Met economische groei worden alle problemen van het multidimensionele probleem armoede opgelost. Hier gaat de Bank volgens mij terug op het spoor waar ze al jaren zitten en dat eerlijk gezegd niet heeft geholpen om de armoede de wereld uit te halen. De neoliberale dictatuur van de markt is de armen nooit ten goede gekomen. De multidimensionele definitie die de Bank heeft, leidt dus niet tot een multidimensionele aanpak. Met de invoering van de PRSP’s heeft de Wereldbank haar werking nog vernauwd. De focus op armoedebestrijding heeft een enorme verkrapping van het concept ontwikkeling met zich meegebracht. De ontwikkeling van een groeiende wereldmarkt waarin de armen participeren is de enige oplossing die de Wereldbank ziet voor de internationale armoedebestrijding. “Flows of trade and capital bring benefits to millions”. Ik meen dat het feit dat de Wereldbank nooit spreekt over herverdeling het grootste gemis is in haar discours rond armoede. Mensen kunnen volgens mij via participatie aan de markt soms uit hun armoede klimmen, maar dit zal de ongelijkheid nooit aanpakken. De belangrijkste speler die ik zie in de internationale bestrijding van armoede en onrecht is de staat. Zonder een sterke staat, die ervoor kan zorgen dat mensen beschermt worden voor de grilligheid van de markt en die een vorm van herverdeling kan doorvoeren, zullen er steeds arme mensen zijn. Dit zullen misschien niet altijd mensen zijn die onder de grens van 1$ leven, maar mensen die aanzienlijk minder hebben dan hun mede land- of wereldgenoten. Een taboe in de discussie over armoede is het spreken over rijkdom. Bij de internationale instellingen wordt extreme rijkdom nooit gezien als een probleem, enkel een mogelijkheid tot liefdadigheid en tot het creëren van nieuwe mecenassen zoals Bill Gates. In mijn thesisonderzoek van vorige jaar heb ik gezien dat ngo’s als 11.11.11. wel spreken over rijkdom als een deel van het probleem. Een idee die mij toch aanspreekt en laat pleiten voor een betere mondiale herverdeling. Rijkdom en armoede zijn volgens mij elk slechts één zijde van dezelfde medaille.Een ander hiaat in het Wereldbank discours rond armoede is het creëren van werkgelegenheid. Daarvoor zou participatie aan de markt genoeg zijn, maar de sterke concurrentie op de markt zorgt momenteel meer voor lagere lonen en afvloeiingen dan voor werkgelegenheid. Als mensen geen werk hebben kunnen ze moeilijk een inkomen hebben om boven de 1$ grens uit te komen.  Ik denk dat we het er allemaal over eens zijn dat armoede moet bestreden worden. Dat de Wereldbank van armoedebestrijding een prioriteit maakt lijkt op het eerste zicht een positieve evolutie. Het maskeert echter de grote focus die er nog steeds ligt op economische ontwikkeling, namelijk van een markt die als we haar genoeg vrijheid geven, er wel voor zal zorgen dat de armoede verdwijnt. Een behoorlijk onrealistisch droombeeld als je het mij vraagt.



[1] MACPHERSON (S.) and SILBURN (R.), “The meaning and measurement of poverty”, in: DIXON and MACAROW, 1998, p.1.

Geef een reactie

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.